Dit weet je na het lezen:
- EU wil productie, vraag en ketens in Europa versterken
- Chinese metalen goedkoper, ondanks logistieke voordelen Europese productie
- Gemengde supply chain biedt flexibiliteit en snelle opschaling
- Europese membraantechnologie loopt achter op internationale concurrentie
- Subsidie is onontbeerlijk voor het creëren van vraag of voor een competitieve productie van elektrolysers en componenten.
Een recent voorstel van de Europese Commissie - de Industrial Accelerator Act - bevat maatregelen om meer Europese productie te stimuleren, vraag naar duurzame technologie te vergroten en supply chains robuuster te maken. Hoewel de ambitie om meer in Europa te produceren breed wordt gedeeld, blijkt de realiteit van de toeleveringsketen complexer.
Producent van elektrolysers Enapter heeft, net als veel andere fabrikanten, een gemengde supply chain, zegt CTO Ivan Gruber. “Vooral voor bepaalde metalen onderdelen is Europa simpelweg niet concurrerend. We kopen componenten met een hoog nikkelgehalte of speciale metalen in China, omdat die daar simpelweg goedkoper zijn.” Enapter ontwikkelt en produceert modulaire elektrolysers, met een specifieke focus op Anion Exchange Membrane (AEM) technologie.
Logistieke voordelen
Niet alle materialen die Enapter inkoopt, komen uit China. Lokale productie heeft duidelijke logistieke voordelen, zegt Gruber. “Het transport uit China duurt zes tot acht weken. We willen onze voorraden zo laag mogelijk houden, dus just-in-time levering zou eigenlijk de voorkeur hebben. Dat zou alleen kunnen als de componenten in Europa geproduceerd worden.”
Maar het kostenvoordeel van metalen uit China is momenteel groter dan de nadelen van extra voorraad. Gruber: “We zijn op dit moment niet bereid om een hogere prijs te betalen, omdat we die niet kunnen doorberekenen aan onze klanten.”
Snel opschakelen
Een gemengde supply chain heeft als voordeel dat het flexibeler is. Enapter kan bijvoorbeeld de verhouding tussen Chinese en Europese materialen snel aanpassen. In theorie kan het bedrijf dus relatief snel opschalen naar Europese leveranciers. De vraag is dan ook of het mogelijk is om een elektrolyser volledig met Europese componenten te bouwen. Volgens Gruber is dat technisch haalbaar, maar niet zonder concessies.
Volwassen keten
De grootste uitdaging ligt volgens hem niet in de techniek, maar in de prijs. Europese componenten zijn duurder, en dat raakt direct de businesscase van waterstofprojecten. De meeste onderdelen voor elektrolysers in de Europese Unie zijn prima in Europa te bestellen, zegt Gruber.

“Voor de meeste componenten in de stack en de ondersteunende componenten is de keten redelijk volwassen. Maar vooral in de AEM-technologie die wij gebruiken is de toeleveringsketen voor membranen nog in ontwikkeling. Op membraanniveau ligt de technologische rijpheid van de Europese toeleveranciers een paar stappen achter op die van andere regio’s.”
Opvallend is dat Enapter voor membranen niet afhankelijk is van China. Het bedrijf werkt met toeleveranciers uit verschillende andere landen. Maar ook hier zijn de Chinese spelers bezig met een inhaalslag, al zijn ze technologisch nog niet op hetzelfde niveau.
Chinese overheidssteun
De discussie over Europese productie van elektrolysers kan niet los worden gezien van de internationale concurrentie, die in belangrijke mate op prijs plaatsvindt. Chinese fabrikanten hebben daarbij vaak een kostenvoordeel, onder meer door schaal, een sterk ontwikkelde toeleveringsketen en overheidssteun.
Analyses laten zien dat sommige producenten van elektrolysers met zeer lage marges opereren of tijdelijk verlies kunnen dragen, bijvoorbeeld doordat zij worden ondersteund door subsidies. Europese bedrijven wijzen erop dat dit het lastig maakt om op prijs te concurreren.

Volgens Gruber zit er een duidelijke strategie achter die lage prijzen van Chinese fabrikanten. “Aan de ene kant maken ze waterstofprojecten haalbaar door lage kosten. Aan de andere kant drukken ze concurrenten uit de markt.” Daarnaast bouwen Chinese bedrijven zo een positie op in Europa. Dat kan op termijn leiden tot een structurele afhankelijkheid van buitenlandse technologie.
Productie in Europa stimuleren
Gruber ziet het recente voorstel van de Europese Commissie om meer Europese productie te stimuleren als een kans. “Naar mijn mening zullen zulke eisen de ontwikkeling van de Europese supply chain versnellen. Als Europese producenten van elektrolysers meer projecten kunnen winnen, profiteert de hele keten. Europese bedrijven werken van nature met Europese toeleveranciers."
"Als zij meer opdrachten krijgen, zal dat de hele keten versterken.” Dat effect geldt volgens hem voor meerdere technologieën. “Dit kan gelden voor AEM- en PEM-technologie. Voor alkaline-elektrolyse ligt dat mogelijk anders, omdat de technologie in China al ver ontwikkeld is.”
Europese maakindustrie versterken
De vraag is wat er nodig is om de Europese maakindustrie daadwerkelijk te versterken. Volgens Gruber kan Europa leren van China. “Het Europese beleid richt zich nu vooral op investeringen in fabrieken en grootschalige productie. China stimuleert niet alleen de productie van elektrolysers, maar ook die van componenten. Dat is een interessante aanpak en zou ook in Europa effect kunnen hebben.”
Hij ziet twee mogelijke routes. “Je kunt de vraag stimuleren, bijvoorbeeld door subsidies voor waterstofgebruik. Of je stimuleert de productie, door het subsidiëren van producenten van elektrolysers in de Europese Unie en toeleveranciers van componenten.”
Maatregelen nodig
Aan de ene kant bieden lokale productie-eisen kansen voor Europese bedrijven en toeleveranciers. Aan de andere kant kunnen hogere kosten de uitrol van waterstofprojecten vertragen. Het is moeilijk om hier een balans in te vinden. Maar het is duidelijk dat de keuzes de Europese Commisie nu maakt, bepalend zijn voor de toekomst van de Europese waterstofsector.
Gruber benadrukt dat maatregelen nodig zijn als de Europese Commissie wil dat de gehele waterstofketen in Europa plaatsvindt. “Elektrolysers in de Europese Unie zijn technisch mogelijk en industrieel wenselijk, maar zonder aanpassing van de economische randvoorwaarden blijft het lastig concurreren op een wereldmarkt die sterk door prijs wordt gedreven.”












