De werknemer raakt gewond wanneer een kettingtakel losschiet tijdens werkzaamheden in de machinekamer. Hij stelt de werkgever aansprakelijk voor zijn schade. De kantonrechter wijst de vorderingen van de werknemer af. In hoger beroep stelt het hof hem alsnog in het gelijk: de werkgever heeft diens zorgplicht geschonden en kan geen beroep doen op eigen schuld van de werknemer.
Losgeschoten kettingtakel raakt werknemer
De werknemer is sinds 22 januari 2018 in dienst bij de werkgever als service engineer op basis van een arbeidsovereenkomst van één jaar. In de eerste weken werkt hij met collega X aan een jacht op een scheepswerf. Op 8 februari 2018 schiet in de machinekamer van het schip een kettingtakel van de rail. Dit nadat een lijmklem als eindstop is geplaatst, in plaats van een moer en bout.
De werknemer verricht sinds 3 mei 2018 kantoorwerkzaamheden voor de werkgever. Op 18 september 2018 meldt hij zich ziek. Hij blijft ziek tot het einde van de arbeidsovereenkomst op 22 januari 2019.
Kantonrechter wijst vorderingen werknemer af
Tijdens deze ziekteperiode stelt hij de werkgever voor de kantonrechter aansprakelijk voor het arbeidsongeval op 8 februari 2018. Hij vordert voor recht te verklaren dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade door het arbeidsongeval. Ook vordert hij de werkgever te veroordelen tot betaling van alle door hem geleden en nog te lijden schade. De werkgever wijst alle aansprakelijkheid af. De kantonrechter wijst de vorderingen van de werknemer af. Daarop gaat hij in hoger beroep.
Hof: werknemer hoeft toedracht niet te bewijzen
De werknemer moet stellen en zo nodig bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, aldus het hof. Maar zonder de exacte toedracht of oorzaak van het ongeval te hoeven aantonen.
Het hof stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de werknemer op 8 februari 2018 in de machinekamer werkte. En dat toen de takel, bediend door collega X, is losgeschoten doordat een deugdelijke eindstop ontbrak. De werknemer verklaart dat de takel op zijn hoofd en schouder terechtkwam. Daarna viel hij ruim een meter naar beneden, waarbij hij even buiten bewustzijn is geraakt. Het hof vindt deze verklaring geloofwaardig, mede doordat X bevestigt dat de vallende takel de werknemer heeft geraakt.
Het hof acht bewezen dat de werknemer een ongeval is overkomen tijdens zijn werkzaamheden. Dat de precieze toedracht wordt betwist, doet er niet toe.
Werkgever betwist precieze toedracht ongeval
De werkgever betwist dat de werknemer schade heeft geleden door het ongeval. Hij stelt dat de verklaringen van het slachtoffer en collega X geen aanwijzingen bieden voor het letsel. Zo ontbreekt medisch bewijs en is de werknemer niet consistent over het gewicht van de takel.
Het hof vindt dit niet belangrijk. De werknemer was slechts kort in dienst en daarom is het niet reëel om te verwachten dat hij precies wist hoe zwaar de takel was. Het hof acht het aannemelijk dat de werknemer gewond is geraakt door een takel van ongeveer 10 kg. Medische stukken van de fysiotherapeut en de huisarts van de werknemer bevestigen dit.
Zorgplicht: werkgever is aansprakelijk
De werkgever is op grond van artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk voor de schade van de werknemer. Tenzij die aantoont aan diens zorgplicht te hebben voldaan. De bewijslast hiervan rust op de werkgever, onduidelijkheid over de toedracht komt voor diens risico.
Het hof overweegt dat de werkgever moet zorgen voor een hoog veiligheidsniveau, veiligheidsinstructies moet geven en toezicht moet houden op de naleving daarvan. Er is niet gebleken dat de werkgever dit heeft gedaan of heeft gecontroleerd of de takelwerkzaamheden veilig konden plaatsvinden. Terwijl de werkgever wist dat de werknemer geen ervaring had met onderhoud aan schepen en boten.
Ook het beroep van de werkgever op eigen schuld van de werknemer slaagt niet. Want zelfs als de werknemer de lijmklem had aangebracht, is van opzet of bewuste roekeloosheid geen sprake.
Hof wijst vorderingen werknemer toe
Het hof stelt de werknemer in het gelijk, vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen alsnog toe.
Gerechtshof Den Haag, 27 januari 2026 – ECLI:NL:GHDHA:2026:148











